Film als religie

29 juni promoveerde Rinke van Hell op het bijzonder mooie proefschrift Widening the Screen: Orthodox Protestant Film Viewers in The Netherlands and the Appropriation of Meaning in Relation to their Religious Identity. Het onderzoek is een must read voor een ieder die geïnteresseerd is in het onderzoeksveld van film en religie, maar zeker ook voor studenten die zelf onderzoek willen doen naar deze thematiek, ook omdat het proefschrift een schoolvoorbeeld is van gedegen, goed onderzoek.

De conclusies die Van Hell in dit onderzoek trekt, zijn interessant: film kan functioneren als parabel, maar in hoeverre dat werkelijk gebeurt, is afhankelijk van de prefiguratie van kijkers, waar religieuze identiteit een onderdeel van uitmaakt. Het is een conclusie die aansluit bij een veel bredere ontwikkeling in mediastudies, waarin men voorbij wil gaan aan het zogenaamde ‘effect paradigm’, dat sterk speculatief en niet zo empirisch is gebleken, en veel meer wil werken vanuit een ‘practice paradigm’, en ik denk dat Van Hell een bijzondere bijdrage geleverd heeft aan deze ontwikkeling.

Tijdens de verdediging formuleerde ik de volgende vraag, die betrekking heeft op de volgende passage uit het proefschrift, waarin Van Hell uitlegt waarom zij, in gesprek met Johnston, voor een ‘appropriation’ benadering kiest:

‘For many of our respondents film is not so much their way of meeting God as it is their way of learning from the world’. (…) the choice for a research project within orthodox Protestant Christianity makes it more logical to frame the study in the category of appropriation rather than divine encounter.’ (41)

Persoonlijk vond ik deze keuze te snel gemaakt. Nu kan het zijn dat Van Hell, zoals gesuggereerd wordt in het proefschrift, deze keuze maakt op basis van de data die zij verzameld heeft. Echter, mogelijk is er een protestantse ‘bias’ in het proefschrift geslopen, en reproduceert Van Hell een wat sterke tegenstelling tussen geloof en cultuur, mogelijk ook geïnformeerd door de orthodox protestanten in de onderzoeksgroep, waarin een dergelijke tegenstelling inderdaad gevonden kan worden.

Tegelijkertijd weet ik dat, zowel in de theologische reflectie als in de geleefde theologie binnen de orthodoxe protestantse groep die onderzocht wordt, ook andere benaderingen te vinden zijn. Ik herinner me nog, om een voorbeeld te noemen, de CV-film lijst van ‘most redeeming movies’, met Magnolia op nummer één, een film die, aldus de toenmalige hoofdredacteur, ‘iets toont van Gods waarheid en de mogelijkheid van vergeving en verzoening’. Er valt wat voor te zeggen om een dergelijke lezing van Magnolia als een vorm van ‘divine encounter’ te duiden.

Van Hell localiseert de ‘divine encounter’ benadering met name in het katholicisme, vanwege de sterke sacramentele benadering van de werkelijkheid, en in het meer vrijzinnige en mainline protestantisme, mogelijk vanwege de brede benadering van de notie van sacraliteit. Echter, ook onder orthodox protestanten lijkt er een ontwikkeling plaats te vinden van een theologie waarin geloof en cultuur sterk tegenover elkaar staan, naar een theologie waarin cultuur verbonden wordt met openbaring en/of schepping – en juist daarom ruimte kan bieden voor een ‘divine encounter’.

Mijn vraag voor nu is: Waarom zien we deze divine encounter benadering niet terug in het onderzoek en onder de respondenten? Is dat, zoals gesteld wordt in het proefschrift, omdat ‘For many of our respondents film is not so much their way of meeting God as it is their way of learning from the world’? Of ligt het aan de keuze van respondenten? Of – mogelijk, gezien de vragenlijst voor zowel interviews als focusgroepen – is er in de methode niet voldoende ruimte gemaakt voor deze benadering?

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *